Door Pieters R.; Decalf V. ; UZ Gent

 

Urobel vzw heeft een online enquête opgezet om te peilen naar de kansen op uitvoering van urologische technieken tijdens de stage in de opleiding verpleegkunde.

 

De urologische technieken zoals plaatsen van een verblijfsonde, intermittente sondage en vervangen van een suprapubische sonde worden nu  voornamelijk in skills-labs aangeleerd. Het verpleegkundig onderwijs staat voor een mogelijke verandering en een uitbreiding van de opleidingsduur behoort tot de mogelijkheden. Zo kan er ook een uitbreiding komen  in het aantal uren dat studenten verpleegkunde op stage gaan.

 

Het doel van deze bevraging is na te gaan hoe frequent en waar studenten verpleegkunde de kans krijgen tot het uitvoeren van deze technieken bij patiënten. Tegelijk wordt ook gepeild naar hun gevoel van bekwaamheid.

 

METHODE

Voor deze pilootstudie werd toestemming verkregen van het EC/2015/0567. De studie werd opgezet in negen Nederlandstalige opleidingsinstellingen voor verpleegkunde, zowel voor de opleiding tot gegradueerde als bachelor in de verpleegkunde. De laatstejaars studenten werden uitgenodigd om anoniem online de enquête in te vullen.

 

In de enquête werd aan de student gevraagd om voor 7 verschillende urologische technieken aan te duiden hoeveel keer ze deze techniek bij een patiënt/cliënt hadden gedaan tijdens hun stageperiode, op welke plaats dit was en hoe competent ze zich voelen om de techniek uit te voeren nu ze afgestudeerd zijn. De 7 urologische technieken waren het plaatsen van een verblijfsonde (VS), intermittente sondage (IS) bij een man, vrouw en kind en het vervangen van een suprapubische sonde (SP). Voor de plaats van het uitvoeren van de technieken waren de antwoordmogelijkheden chirurgische en interne afdelingen, operatiekwartier, thuisverpleging,  intensieve zorgen, spoedopname, pediatrische afdeling, gehandicaptenzorg, polikliniek, verloskwartier/materniteit of andere. Het meten van het gevoel van bekwaamheid werd gedaan met een 5 punten schaal, met scores gaande van zeer laag, laag, matig, hoog tot zeer hoog competent.

 

Voor de gegevensanalyse werd gebruik gemaakt van SPSS Statistics v.21.0 (IBM Corp., Amonk, NY). Gezien het beperkt aantal respondenten werd Fisher Exact Test gebruikt om het verband tussen frequentie en competentie op te zoeken. Statistische significantie werd gedefinieerd als p<0.05.

 

RESULTATEN

Het responspercentage voor deze enquête is niet bekend.

De gemiddelde leeftijd van de deelnemers is 26 jaar (SD 7.9 jaar). Van 66 deelnemers is bekend dat 35 van hen afstuderen als gegradueerde en 31 als bachelor in de verpleegkunde.

 

Frequentie

Uit de resultaten blijkt dat ongeveer de helft van de studenten nog nooit of maximum 2 keer een VS geplaatst heeft bij een man en een vrouw. IS bij deze twee patiëntengroepen werd door bijna 60 % van de studenten nauwelijks of niet geoefend. Urologische technieken bij kinderen werd door slechts 5 studenten in de praktijk uitgevoerd. Meer dan 6 op de 10 studenten heeft nog nooit een SP gewisseld buiten het leslokaal. De frequentie van uitvoeren van de verschillende technieken worden weergegeven in Tabel 1.

 

 

Frequentie uitvoering urologische technieken door laatstejaars studenten verpleegkunde

 

 

Plaats

Het plaatsen van een VS bij zowel de man als de vrouw werd hoofdzakelijk uitgevoerd door de studenten op chirurgische en interne ziekenhuisafdelingen en het operatiekwartier. IS werd geoefend op zowel chirurgische als interne afdelingen. Een stage thuisverpleging of operatiekwartier bood oefenkansen voor urologische technieken bij kinderen. In de categorie andere leverden het revalidatiecentrum en intensieve zorgen de meeste praktijkervaring voor de studenten. Uit de vrije opmerkingen die de respondenten mochten geven bij de plaats van uitvoering werd geriatrie 12 keer genoemd als plaats van inoefenen van het plaatsen van een VS bij de man. In Tabel 2 wordt de uitvoering van de technieken volgens plaats opgelijst, voor alle technieken waren meerdere plaatsen mogelijk.

 
Plaats uitvoering urologische technieken door laatstejaar studenten verpleegkunde

 

 

Competentie

Wanneer studenten het plaatsen van een VS bij een man en een vrouw 1 of 2 keer in de praktijk hadden gedaan scoorden ze een zeer lage tot matige competentie. Vanaf het 3 of meer keer kunnen uitvoeren, stijgt hun gevoel naar hoog tot zeer hoge competentie (p <0.001, FET). Voor IS bij de man en de vrouw en het wisselen van een SP geldt dezelfde uitspraak (p<0.001, p=0.001, pSP =0.003 FET).

 

Opleiding

Ongeveer 75% van de “nooit” scores op het plaatsen van een VS en IS bij de man en de vrouw kwam uit de opleiding gegradueerde in de verpleegkunde..

 

DISCUSSIE

Gezien de groep respondenten klein is (n=73) en er slechts een klein aantal opleidingsinstellingen bevraagd werden (n=9) mogen deze resultaten niet gegeneraliseerd worden naar de Nederlandstalige laatstejaars studenten verpleegkunde. Dit betreft een pilootstudie en de enquêtes werden ook pas verstuurd op het ogenblik dat de studenten hun opleiding afgerond hadden, zodat een belangrijk deel van de studenten de link naar de enquête waarschijnlijk nooit gevonden hebben in hun mailbox van de opleidingsinstelling.

 

Een belangrijk aandeel van de studenten, namelijk 1 op 5, heeft nog nooit een VS geplaatst bij een man en 1 op 10 bij een vrouw. Voor de techniek IS liggen deze nog hoger, respectievelijk 1 op 3 en 1  op 5. Verwacht zou worden dat de techniek IS meer voorkomt dan het plaatsen van een VS, waardoor de studenten meer praktijkervaring zouden hebben voor IS dan het plaatsen van een VS. Het hoge aandeel plaatsen VS zou mogelijks te wijten zijn aan de stageplaats operatiekwartier. Het laag percentage dat de technieken meerdere keren heeft kunnen inoefenen zou ook te wijten kunnen zijn dat het aantal VS en IS in de zorg betrekkelijk laag ligt.

 

Sinds de wijziging in de wetgeving van 2006 mogen verpleegkundigen de wissel van een suprapubische ballonsonde zelfstandig uitvoeren. De eerste wissel dient door een arts te gebeuren. Ondanks deze wijziging hebben slechts 1 op3 studenten deze techniek minimum eenmaal uitgevoerd in de praktijk voordat ze afstuderen.

 

Uit de plaats waar de technieken werden ingeoefend bleken ziekenhuisafdelingen het grootste aandeel te hebben, maar deze resultaten dienen met de grootste omzichtigheid beoordeeld te worden, gezien de aangeboden stageplekken voor elke individuele student onbekend is.

 

Vanaf studenten een techniek 3 keer of meer hadden uitgevoerd, voelden ze zich competent voor het zelfstandig uitvoeren van deze techniek. Dit cijfer dient opnieuw onderzocht te worden, gezien respondenten die een techniek nooit hadden uitgevoerd geen gevoel van bekwaamheid scoorden op de vragenlijst. Deze ontbrekende gegevens geven hoogst waarschijnlijk een vertekend beeld van de werkelijkheid. Anderzijds werd het concept competentie niet omschreven in de enquête waardoor de studenten hieraan een eigen interpretatie konden geven.

 

Gezien ongeveer drie kwart van alle studenten uit de opleiding gegradueerde in de verpleegkunde  de meest courante urologische technieken nog nooit hadden uitgevoerd, kan dit wijzen op ongelijke oefenkansen tussen beiden opleidingsvormen.

 

Oefenkansen zijn voor beide groepen afhankelijk van de duur van de stage, de stageplaatsen waarop ze terecht komen, het aantal studenten dat tegelijk op deze plaats aanwezig is en het zelf opsporen en opnemen van deze kansen. Deze gegevens werden niet verzameld in de enquête.

 

CONCLUSIE

De groep van respondenten is te klein en niet representatief voor de oefenkansen die studenten verpleegkunde krijgen voordat ze afstuderen. Ook de enquête heeft een aantal belangrijke tekortkomingen.

 

Een voorzichtig besluit kan zijn dat studenten weinig oefenkansen in de praktijk hebben om zich te bekwamen in courante urologische technieken. Verontrustend is dat deze studenten de dag na afstuderen mogelijks alleen, zonder begeleiding, deze invasieve technieken bij de patiënt/cliënt moeten kunnen uitvoeren.

 

Verder onderzoek bij een grotere groep en met een aangepaste enquête wordt gepland voor het eind van academiejaar 2015-2016.

 

urobel logo