In artikel 7 van hoofdstuk IV van dit besluit (‘Verval van de voorafgaande vergunning’) wordt het volgende bepaald:

“De voorafgaande vergunning vervalt van rechtswege in de onderstaande gevallen:

1.      Als bij de aanvraag voor een voorafgaande vergunning een principiële beslissing tot onteigening of een bewijs van aankoopoptie van de inplantingsplaats is gevoegd en, binnen een jaar na de datum van de voorafgaande vergunning, de initiatiefnemer het eigendomsbewijs voor dat onroerend goed niet aan het agentschap heeft bezorgd;

 

2.      Als binnen drie jaar na de datum van de voorafgaande vergunning de initiatiefnemer aan het agentschap niet het bewijs heeft geleverd dat een stedenbouwkundige vergunning werd verkregen of aangevraagd om het initiatief op de inplantingsplaats te verwezenlijken;

 

3.      Als binnen vijf jaar na de datum van de voorafgaande vergunning of binnen de termijn bepaald met toepassing van paragraaf 3, de initiatiefnemer het initiatief niet heeft gerealiseerd. Het initiatief wordt beschouwd als gerealiseerd als ten minste een winddichte infrastructuur werd gebouwd.

 

Als de initiatiefnemer binnen vijf jaar na de datum van de voorafgaande vergunning of binnen de termijn die bepaald is met toepassing van paragraaf 3, het initiatief maar gedeeltelijk heeft gerealiseerd, vervalt de voorafgaande vergunning van rechtswege voor de niet-gerealiseerde opnamemogelijkheden.

De administrateur-generaal kan de termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, 3, met maximaal drie jaar verlengen. De initiatiefnemer richt daartoe voor het verstrijken van die termijn aan het agentschap, aangetekend of tegen ontvangstbewijs, een gemotiveerd verzoek waarin hij naargelang van het geval aantoont dat geen van de opnamemogelijkheden of niet alle opnamemogelijkheden tijdig kunnen worden gerealiseerd.”

 

Stedenbouwkundige vergunning

Deze regels zullen van toepassing worden op de voorafgaande vergunningen die aangevraagd worden vanaf 1 januari 2010. Ook wordt de maximale duur om een initiatief te verwezenlijken teruggebracht tot maximaal 8 jaar (vandaag nog 12 jaar).

Voor de vóór 1 januari 2010 afgeleverde voorafgaande vergunningen en de vóór die datum aangevraagde voorafgaande vergunningen worden in artikel 11 specifieke overgangsregelingen omschreven. Hierin is onder meer bepaald dat bij de aanvraag tot verlenging van een voorafgaande vergunning die op 1 januari 2010 nog niet verlengd is (ongeacht of op die datum de verlenging ervan is aangevraagd of niet) en waarvoor de werkzaamheden binnen de oorspronkelijke geldigheidsduur van vijf jaar niet werden aangevat, de initiatiefnemer bij de aanvraag tot verlenging een bewijs dient in te sturen dat een stedenbouwkundige vergunning werd aangevraagd met betrekking tot de inplantingsplaats, vermeld in de voorafgaande vergunning. Als de initiatiefnemer de verlenging al had aangevraagd, vervolledigt hij de aanvraag met het voormelde bewijs.