Active ageing in het woonzorgcentrum: droom of realiteit?

 

Hoe implementeer je active ageing in woonzorgcentra? Dat was de vraag die centraal stond in het doctoraatsonderzoek van gerontoloog en onderzoekster aan de VUB, Lien Van Malderen. Wij hadden een gesprek met haar.

 

Het concept active ageing is ontwikkeld door de Wereldgezondheidsorganisatie. Zij definiëren de term als het proces dat zich als doel stelt de levenskwaliteit van ouderen te verbeteren door zich te richten op  gezondheid, bescherming, maar vooral op hun participatie. (WHO, 2002)

 

‘De laatste jaren zet Europa sterk in op active ageing en stimuleert ze lidstaten om er beleidsmatig rond te werken op regionaal en landelijk vlak. Wij wilden het concept vertalen naar ouderen in woonzorgcentra, omdat het de levenskwaliteit van ouderen wil vergroten in de breedst mogelijke zin, namelijk in al die levensdomeinen die belangrijk zijn voor hen. Daarnaast is het belangrijk om mensen zo veel mogelijk in hun waarde te laten en om iedereen de kans te geven om te blijven participeren in de mate waarin hij of zij dat wenst’, begint Lien Van Malderen.

 

‘Active ageing is een onderwerp dat me persoonlijk nauw aan het hart ligt. Als gerontoloog vind ik het belangrijk dat mensen die zich in een kwetsbare situatie bevinden de best mogelijke omkadering krijgen.’

 

‘Omdat de omgeving zo’n belangrijke invloed heeft op het welzijn en op de levenskwaliteit wilden wij onderzoeken wat een woonzorgcentrum daar concreet kan voor betekenen. De levenskwaliteit wordt immers ook door persoonlijke zaken beïnvloed waar je als omgeving weinig invloed op hebt. Bovendien zijn veel bestaande studies vooral gericht op thuiswonende ouderen (de nog actieve ouderen) en op de vraag hoe je mensen zo lang mogelijk actief kunt houden. Terwijl het actieve in active ageing meer slaat op de mensen de mogelijkheid te geven in het leven te staan of te participeren in de mate waarin zij dat graag willen’, licht de gerontoloog toe.

 

‘Het belang van participatie of de mate waarin je zelf het gevoel hebt dat je controle of medezeggenschap hebt over je eigen omgeving wordt trouwens in heel veel onderzoeken bevestigd.’

 

‘Uit ons eerste onderzoek bleek dat voor bewoners in een woonzorgcentrum de levenskwaliteit uit heel wat dimensies of determinanten bestaat. Woonzorgcentra kunnen op elk van deze dimensies bijdragen. Zorg betreft maar een van deze negen dimensies die de levenskwaliteit mee beïnvloeden. Andere belangrijke factoren zijn de sociale en fysieke omgeving, de cultuur van het woonzorgcentrum, de betekenisvolle tijdsinvulling van bewoners, de levensstijl, de psychologische ondersteuning, maar vooral participatie. Het belang van participatie of de mate waarin je zelf het gevoel hebt dat je controle of medezeggenschap hebt over je eigen omgeving wordt trouwens in heel veel onderzoeken bevestigd. Op basis van deze studie hebben wij een active ageing-raamwerk ontwikkeld waarin wij het belang aangeven van al die factoren waar woonzorgcentra de levenskwaliteit mee kan versterken. In dit raamwerk staat de participatie van bewoners centraal. Het is namelijk pas door bewoners te kennen en door hen een stem te geven dat je ook al die andere domeinen op de best mogelijke manier kunt invullen.’

 

Jullie eerste onderzoek focuste vooral op de levenskwaliteit. Waar ging het vervolg over?

‘Het onderzoek bestond uit twee delen. Enerzijds wilden we nagaan waar woonzorgcentra een rol kunnen innemen om de levenskwaliteit van bewoners te versterken – wat zonet werd toegelicht – en in welke mate woonzorgcentra al werk maken om bewoners hun wensen en noden op die verschillende dimensies in te vullen. Het tweede deel van het onderzoek wou achterhalen hoe je de bewoners van een woonzorgcentrum op een meer structurele manier een stem kunt geven.’

 

‘Maar liefst drieënzeventig procent van de bewoners heeft het gevoel dat woonzorgcentra in belangrijke mate tegemoetkomen aan de invulling van wat zij belangrijk vinden op elk van de determinanten.’

 

‘Het eerste aspect hebben we verder onderzocht door een grootschalige studie bij een representatieve groep van een vierhonderdtal bewoners van zevenenvijftig Vlaamse woonzorgcentra. We hebben bij deze bewoners een vragenlijst afgenomen (de NHAA survey), waar die verschillende domeinen of determinanten die hierboven worden geschetst verwerkt werden in 61 stellingen. Per stelling zijn we nagegaan in welke mate bewoners die determinant belangrijk vonden voor hun welzijn en in welke mate zij die gerealiseerd zien door het woonzorgcentrum. Uiteindelijk bleek dat er een vrij positieve appreciatie is van woonzorgcentra. Maar liefst drieënzeventig procent van de bewoners heeft het gevoel dat woonzorgcentra in belangrijke mate tegemoetkomen aan de invulling van wat zij belangrijk vinden op elk van de determinanten. Vervolgens hebben we aan het onderzoek levenskwaliteitsvragenlijsten toegevoegd. En ook daaruit bleek dat er in het algemeen een redelijke levenskwaliteit aanwezig is.’

 

Welke determinanten scoorden sterker of zwakker in vergelijking met elkaar?

‘Vooral de sociale omgeving of de sociale ondersteuning scoorde minder goed. Ook uit onze eerste studie bleek al dat sociale, kwaliteitsvolle contacten heel belangrijk zijn voor het welzijn van bewoners. Ze hebben echter nog niet het gevoel dat die behoefte ingevuld wordt. Ook betekenisvolle tijdsinvulling en participatie scoorden minder goed.’

 

Wat moeten we precies verstaan onder sociale ondersteuning en participatie in de context van een woonzorgcentrum?

‘Participatie hebben we op drie niveaus onderzocht: in welke mate ervaren bewoners controle over hun eigen leven, in welke mate ervaren ze dat ze inspraak hebben in de werking van het woonzorgcentrum en tot slot de maatschappelijke participatie: in welke mate hebben ze het gevoel dat ze bijvoorbeeld in de buurt betrokken zijn.’

 

‘Onder sociaal verstaan we in welke mate woonzorgcentra sociale ondersteuning bieden aan bewoners. Bijvoorbeeld door het bevorderen van kwaliteitsvolle contacten bij bewoners onderling, maar ook met het personeel en anderen.’

 

Het tweede deel van het onderzoek focuste vooral op het kernaspect van active ageing, namelijk participatie en hoe je die kan versterken in het woonzorgcentrum?

‘Inderdaad. Het centrum is immers de thuisomgeving van de bewoners en dus is het logisch om hen ook medezeggenschap te geven. Vanuit die invalshoek hebben wij een active ageing-methodiek ontwikkeld – het Participatorisch Actie Onderzoek (PAR) – om bewoners meer structureel een stem te geven in het woonzorgcentrum. Dit houdt in dat in een woonzorgcentrum we wekelijks een groep van tien bewoners lieten samenkomen die interesse hadden om samen te praten over het woonzorgcentrum. Deze tien bewoners gingen samen in gesprek over hun leefsituatie en ervaringen in het woonzorgcentrum.

 

Door die gesprekken kwamen mogelijke problemen of verbeterpunten in de werking van het woonzorgcentrum aan het licht. Wanneer men een verbeterpunt had afgelijnd, gingen de bewoners zelf aan het werk om samen na te denken over hoe deze verbeteringen vorm konden krijgen en werden actiepunten afgelijnd die door het woonzorgcentrum werden ingevoerd. Vervolgens werd het verloop van de implementatie van de voorstellen tijdens de PAR-bijeenkomsten door de bewoners opgevolgd en werd bekeken waar eventueel bijgestuurd moest worden. Alle sessies werden geleid door een moderator die erover waakte dat de sessies vlot liepen, maar zich bewust niet mengde in de inhoudelijke discussie. Het grote verschil met een klassieke gebruikersraad is het vertrouwelijke, het kleinschalige. Je zit in een veilige omgeving samen met een kleine groep bewoners die willen meedenken over de organisatie van het woonzorgcentrum. Verschillende onderzoeken hebben namelijk aangetoond dat klassieke gebruikersraden enige beperkingen hebben.

 

Zo zijn het meestal grote groepen, dus deelnemers moeten al heel mondig zijn om echt aan bod te komen. Bovendien worden veel gebruikersraden beschouwd als een klankbord of adviesraad zonder dat alle ideeën van de bewoners zelf komen. Uit andere onderzoeken blijkt ook dat bewoners vaak het gevoel hebben ook in de gebruikersraad niet echt gehoord worden. Tot slot is ook de frequentie – trimestrieel – van de bijeenkomsten lager dan bij ons.’


‘In een pilootstudie hebben we drie woonzorgcentra met elkaar vergeleken. In één woonzorgcentrum werd PAR als wekelijkse activiteit gestart, in een ander woonzorgcentrum introduceerden we reminiscentie en in een derde woonzorgcentrum niets.’

 

‘Uit die pilootstudie bleken er duidelijke verschillen in verandering van de levenskwaliteit. Er waren betere evoluties merkbaar in de woonzorgcentra waar PAR en reminiscentie werd gestart ten opzichte van het woonzorgcentrum waar geen nieuwe activiteit werd gestart. Ook de bewoners die deelnamen aan PAR vonden het een waardevol initiatief. Ze hadden het gevoel dat ze echt gehoord werden en dat het woonzorgcentrum hen waardeerde voor hun inbreng. Ze zijn ook erg trots dat ze deel kunnen uitmaken van de groep.’

 

Zijn jullie ook gestoten op bepaalde knelpunten in het onderzoek?

‘Natuurlijk, en die willen we ook meenemen in toekomstig onderzoek. Het is bijvoorbeeld essentieel dat een woonzorgcentrum het project volledig ‘draagt’ voordat ze ermee aan de slag gaat. Iedereen moet ervan overtuigd zijn dat er een meerwaarde is.’

 

‘Centraal in het active ageing-verhaal staat dat de bewoners meer als persoon moeten benaderd worden.’

 

‘Uit de verschillende onderzoeken die we de voorbije jaren hebben gedaan, blijkt dat het essentieel is dat woonzorgcentra focussen op de levenskwaliteit van bewoners in de breedst mogelijke zin en dat ze zich bewust worden dat er meer is dan alleen het zorgmatige. De klemtoon moet meer liggen op het wonen. Opdat je kan inspelen op de wensen van bewoners en opdat zij een goede levenskwaliteit kennen, moet je bewoners kennen en hen betrekken. Dit betekent dat we persoonsgericht moeten werken en we moeten verder streven naar een multidimensionale benadering van de bewoners, waarin verschillende disciplines worden betrokken. Centraal in het active ageing-verhaal staat dat de bewoners meer als persoon moeten benaderd worden. We voelen in de studies aan dat de sector daar al in sterke mate naar evolueert, maar er is zeker nog ruimte voor verbetering.’

 

Je hebt in juni je doctoraatsverhandeling verdedigd. Hoe moet het nu verder? Krijgt het onderzoek nog een vervolg?

‘Tijdens het onderzoek hebben we vragenlijsten en methodieken ontwikkeld die andere woonzorgcentra kunnen gebruiken. De vragenlijst kan woonzorgcentra ondersteunen om na te gaan in welke mate zij de wensen van de bewoners op deze levensdomeinen beantwoordt. Wat de methodiek betreft, geven wij training en voorzien wij tegen een kleine vergoeding in een draaiboek om woonzorgcentra te ondersteunen om bewoners op een meer structurele manier te betrekken in hun werking. Hiervoor is er al veel interesse. Als woonzorgcentra geïnteresseerd zijn, kunnen zij altijd met ons contact opnemen. Ook gaan wij dit onderzoek verder uitdiepen en verfijnen naar de toekomst toe. Woonzorgcentra kunnen altijd aangeven als ze interesse hebben om hieraan mee te werken. Vanuit het beleid voelen we dat de visie op persoonsgericht werken, op het wonen en op de levenskwaliteit van bewoners steeds toeneemt. We hopen dan ook dat deze visie die we in de onderzoeken uitdragen ook in de praktijk steeds meer doorleefd zal worden en dat de middelen die we ontwikkeld hebben hen hierbij kunnen helpen.’
Het active ageing-verhaal krijgt dus zeker nog een staartje.

 

 

Dit artikel is verschenen in de vierde editie van het magazine Uitgerust.