Juridische analyse door Karlien Van de Velde

In aansluiting op het artikel van zorgambassadeur Lon Holtzer staan we samen met Karlien Van de Velde, (juridisch) stafmedewerker algemeen beleid AZ Nikolaas, ook even stil bij het juridisch kader: wat is de verantwoordelijkheid van de verpleegkundige bij het toedienen van medicatie?

 

Laat ons starten met een eerste vraag: mag een verpleegkundige medicatie toedienen? Het antwoord op deze vraag is – uiteraard – positief. In eerste instantie kan verwezen worden naar het K.B. van 18 juni 1990 (1) dat de lijst van de handelingen omschrijft die door een arts aan een verpleegkundige kunnen worden toevertrouwd.

 

Deze handelingen worden verdeeld in drie categorieën:

  1. B1 handelingen: handelingen die de verpleegkundige mag uitvoeren zonder voorschrift van de arts.
  2. De verstrekkingen waarvoor de verpleegkundige wel een voorschrift nodig heeft, de zogenaamde B2 handelingen.
  3. Daarnaast laat de wet ook toe dat bepaalde geneeskundige handelingen worden toevertrouwd aan de verpleegkundige (= C handelingen). 

 

Karlien_Van_de_VeldeDe gecoördineerde wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen d.d. 10/05/2015 vermeldt in haar definitie van ‘uitoefening van de verpleegkunde (2)’ dat “de technisch-verpleegkundige verstrekkingen waarvoor geen medisch voorschrift nodig is, alsook deze waarvoor wel een medisch voorschrift nodig is” worden bestempeld als zijnde activiteiten die worden aanzien als uitoefening van de verpleegkunde. Ook de toevertrouwde geneeskundige handelingen worden als uitoefening van de verpleegkunde aanzien.  

 

Dat een verpleegkundige medicatie kan toedienen, staat dus niet ter discussie. Dat brengt ons bij een volgende vraag: is het toedienen van medicatie een B1/B2 of een C-handeling in het licht van voornoemde wetgeving? In functie van het antwoord op deze vraag kunnen namelijk de randvoorwaarden voor het toedienen van medicatie bepaald worden. Dit is op zijn beurt van belang voor de aansprakelijkheid van de verpleegkundige.
 

 

Welnu, bijlage I van het hoger reeds vermelde K.B. van 18 juni 1990 omschrijft heel duidelijk dat de meeste medicamenteuze toedieningen een B2 handeling betreffen. Dit betekent dat een voorschrift van de arts aanwezig moet zijn wil de verpleegkundige de desbetreffende medicatie voorbereiden en toedienen aan de patiënt:   

 

 Medicatie verpleegkundigen

 

 

Het voorbereiden en toedienen van chemotherapeutische middelen, isotopen, therapieën met radioactieve materialen en stralingsapparatuur is geen B2 handeling, maar een toevertrouwde geneeskundige handeling (C handeling).
 

 

Deze B2 handelingen, die handelingen waarvoor een medisch voorschrift nodig is, en de toevertrouwde geneeskundige handelingen moeten beschreven zijn in standaard verpleegplannen of procedures (3).  De opdracht in het kader van de behandeling van een specifieke patiënt wordt gegeven via een medisch voorschrift dan wel via een staand order.
 

 

Opdat een verpleegkundige dus medicatie kan toedienen, moet er een voorschrift aanwezig zijn. Het medisch voorschrift van de arts dient aan een aantal voorwaarden te voldoen (4): de gegevens van de patiënt moeten vermeld worden, het dient goed leesbaar te zijn, de naam van het desbetreffend geneesmiddel, de dosering… moet worden opgenomen. Het is de verantwoordelijkheid van de arts er op toe te zien dat het voorschrift voldoet aan de criteria die wetgeving voorziet.
 

 

Een vraag die vaak terugkomt is of het voorschrift van de arts schriftelijk moet zijn opgesteld. Met andere woorden: kan de arts mondeling vragen aan een verpleegkundige medicatie toe te dienen zonder dat hiervan een schriftelijk neerslag terug te vinden is?
 

 

Het antwoord op deze vraag vinden we terug in de wetgeving (5): enkel in dringende gevallen is het toegelaten dat het mondeling geformuleerd voorschrift uitgevoerd wordt in afwezigheid van de arts. Echter, een aantal randvoorwaarden moet dan wel gerespecteerd worden:
 

  1. Zo moet het voorschrift telefonisch, radiofonisch of via de webcam meegedeeld worden.
  2. Indien mogelijk wordt verwezen naar een standaardverpleegplan, een staand order of een procedure.
  3. De verpleegkundige kan niet gedwongen worden om het voorschrift uit te voeren wanneer hij of zij van oordeel is dat de aanwezigheid van de arts bij de patiënt noodzakelijk is (de arts moet over dit standpunt worden geïnformeerd).
  4. De arts moet zo snel mogelijk schriftelijk bevestigen.  

 

Samengevat: zelfs bij een mondelinge opdracht om medicatie toe te dienen, moet de arts nadien schriftelijk bevestigen.
 

 

Dit is het juridisch kader waarbinnen onze vraag, met name wat de aansprakelijkheid van een verpleegkundige bij het toedienen van medicatie is, moet gekaderd worden. Indien een verpleegkundige medicatie toedient aan de patiënt zonder voorschrift van de arts, dan wel in een dosis die niet overeenstemt met het voorschrift van de arts en de patiënt daardoor schade lijdt, kan de aansprakelijkheid van de desbetreffende verpleegkundige in gedrang komen. Echter, heeft de verpleegkundige het voorschrift van de arts gevolgd en was dit voorschrift foutief opgesteld, dan kan de verpleegkundige verwijzen naar de inhoud van het voorschrift. Tenzij de fout van het voorschrift dermate duidelijk was dat de verpleegkundige wist of hoorde te weten dat dit niet correct was, zal de aansprakelijkheid van de verpleegkundige niet weerhouden worden.
 

 

Belangrijk om te onthouden is dat men bij dergelijke situaties steeds zal kijken of de verpleegkundige zorgvuldig gehandeld heeft. Deze zorgvuldigheidstoets bestaat er in dat men nagaat wat een normaal verpleegkundige in dezelfde omstandigheden met kennis van dezelfde feiten ( = “de zorgvuldige verpleegkundige”) zou gedaan hebben: het antwoord op deze vraag zal dan doorslaggevend zijn om te bepalen of de verpleegkundige een fout heeft begaan. Zou een ‘zorgvuldig verpleegkundige’ dezelfde handelingen gesteld hebben, dan zal met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen fout worden weerhouden. Is het antwoord op deze vraag echter negatief, dan is de kans groter dat men tot het besluit zal komen dat de betrokken verpleegkundige wel een fout heeft gemaakt. Heeft de verpleegkundige een fout gemaakt die de oorzaak is van de schade die de patiënt heeft geleden, dan zal de aansprakelijkheid van de verpleegkundige weerhouden worden. 

 

Hier kan nog worden aangevuld dat vooral binnen een ziekenhuiscontext het voorkomt dat de verpleegkundige die de medicatie klaarzet niet steeds dezelfde verpleegkundige is die de medicatie toedient. Indien er dan wordt vastgesteld dat het voorschrift van de arts niet correct werd gevolgd, zullen de beide verpleegkundige kunnen aangesproken worden: de verpleegkundige die de medicatie toedient, heeft immers ook de plicht een controle uit te voeren op de overeenstemming met het medisch voorschrift. 

 

Bovendien hebben veel ziekenhuizen ook specifieke procedures, bijvoorbeeld in het kader van hoogrisicomedicatie. In het kader van aansprakelijkheid speelt ook de compliance met deze procedure een belangrijke rol. Wanneer wordt vastgesteld dat de verpleegkundige bepaalde interne procedures niet heeft gevolgd, kan dit ook een versterkend element zijn om tot aansprakelijkheid van de verpleegkundige te besluiten wanneer de patiënt schade heeft geleden.
 

 

Ten slotte is de wetgeving ook heel duidelijk: indien medicatie toegediend wordt aan een patiënt moet dit genoteerd worden in het verpleegkundig dossier (6). Er kan niet vaak genoeg benadrukt worden hoe belangrijk de inhoud van een patiëntendossier is, zeker bij aansprakelijkheidsdiscussies.
 

 

In de rand toch nog deze kanttekening: de verzekering burgerlijke aansprakelijkheid uitbating die ziekenhuizen afsluiten, dekt ook de aansprakelijkheid van de verpleegkundigen werkzaam in het ziekenhuis, tenzij er sprake is van bijvoorbeeld opzet. Zelfstandige thuisverpleegkundigen worden geacht zelf een dergelijke verzekering burgerlijke aansprakelijkheid af te sluiten. Wordt je aansprakelijkheid als verpleegkundige weerhouden, dan zal de verzekeraar de burgerrechtelijke schadevergoeding aan de patiënt terugbetalen. Ben je als verpleegkundige niet verzekerd of komt de verzekering niet tussen (bijvoorbeeld wegens opzet), dan zal je zelf deze schadevergoeding moeten betalen.  

 

 

 

[1]Koninklijk besluit dd 18/06/1990 houdende vaststelling van de lijst van de technische verpleegkundige verstrekkingen en de lijst van de handelingen die door een arts aan beoefenaars van de verpleegkunde kunnen worden toevertrouwd, alsmede de wijze van uitvoering van die verstrekkingen en handelingen en de kwalificatievereisten waaraan de beoefenaars van de verpleegkunde moeten voldoen.

[2]Artikel 46 § 1 § 1° 2° 3° 

[3]Zie artikel 7 ter van het K.B. d.d.18/06/1990 houdende vaststelling van de lijst van de technische verpleegkundige verstrekkingen en de lijst van de handelingen die door een arts aan beoefenaars van de verpleegkunde kunnen worden toevertrouwd, alsmede de wijze van uitvoering van die verstrekkingen en handelingen en de kwalificatievereisten waaraan de beoefenaars van de verpleegkunde moeten voldoen.

[4]Zie artikel 7 quater § 2 van het K.B. dd 18/06/1990 houdende vaststelling van de lijst van de technische verpleegkundige verstrekkingen en de lijst van de handelingen die door een arts aan beoefenaars van de verpleegkunde kunnen worden toevertrouwd, alsmede de wijze van uitvoering van die verstrekkingen en handelingen en de kwalificatievereisten waaraan de beoefenaars van de verpleegkunde moeten voldoen.

[5]Artikel 7 quater § 3 en § 4 K.B. dd 18/06/1990 houdende vaststelling van de lijst van de technische verpleegkundige verstrekkingen en de lijst van de handelingen die door een arts aan beoefenaars van de verpleegkunde kunnen worden toevertrouwd, alsmede de wijze van uitvoering van die verstrekkingen en handelingen en de kwalificatievereisten waaraan de beoefenaars van de verpleegkunde moeten voldoen.

[6]Artikel 46 § 2 van de gecoördineerde wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen dd 10/05/2015.